kleinigheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klei·nig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleinigheid kleinigheden
verkleinwoord kleinigheidje kleinigheidjes

Zelfstandig naamwoord

kleinigheid v

  1. iets onbelangrijks
    "Ik heb een brief van onzen Frederik ontvangen, die mij, uit hoofde van eene tusſchenkomende kleinigheid, heeft doen beſluiten, om weder naar Antwerpen te keeren".[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Paape, Gerrit (1788). De Hollandsche wijsgeer in Braband: iets meer dan een roman, p. 148.