grensde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grens·de

Werkwoord

vervoeging van
grenzen

grensde

  1. enkelvoud verleden tijd van grenzen
    • Ik grensde. 
    • Jij grensde. 
    • Hij, zij, het grensde.