godsvrees

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gods·vrees
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord godsvrees godsvrezen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

godsvrees v/m [1]

  1. het respect en de angst die een gelovige voor zijn god heeft
    • „Mijn ouders. Zij hielden mij voor dat Godsvrees noodzakelijk is. Verder ben ik gevormd door de studentenvereniging CSFR. Dat was een leerzame tijd; we discussieerden op het scherp van de snede. Verder denk ik natuurlijk aan mijn echtgenote. Als het nodig is, trekt ze aan de rem.” [2] 
    • Zou het leven zonder ouderwetse godsvrees hem veel vrijheid en vreugde hebben gebracht? De oudere generatie moet dat toen wel hebben aangenomen, maar wat kan hij er nu, veertig jaar later, nog over zeggen? [3] 
    • Dat we werk een aureool hebben aangemeten, komt natuurlijk niet enkel uit godsvrees. Het 19-eeuwse industrieel kapitalisme heeft het ons ingepeperd: we hebben gedreven en gedisciplineerde werkkrachten nodig. Een boodschap die politici vandaag gretig herhalen: we moeten met z’n allen meer en langer werken (anders kunnen we de vergrijzing niet betalen en de internationale concurrentie niet aan). De gevestigde orde is gebaseerd op loonarbeid. Én op ons eigen verlangen naar consumptiegoederen. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Gerard Vroegindeweij 30-06-2016 Boeiend én vermoeiend
  3. NRC Guus Middag 25 mei 2007 Een glijbaan naar eindeloos geluk?
  4. De Standaard ZATERDAG 17 FEBRUARI 2018 Werken werkt niet