gispen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gis·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘laken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gispen
gispte
gegispt
zwak -t volledig

Werkwoord

gispen

  1. overgankelijk (verouderd) iemand met een gisp, een dunne roede of smalle riem slaan
  2. inergatief overdrachtelijk iemand scherp bekritiseren, fel uithalen naar iemand
    • "Dat is de slechtste oplossing die ik ooit heb horen verkondigen" gispte zij. 

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
36 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen