gesel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Een gesel.
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesel gesels
geselen
verkleinwoord geseltje geseltjes

Zelfstandig naamwoord

gesel m [3]

  1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
    • De uitgeputte dwangarbeider kreeg er van langs met een gesel. 
     De clip begint dreigend met een witte slavenhouder die met een gesel in de hand op een vastgebonden Typhoon afstapt.[4]
  2. (figuurlijk) oorzaak van toegebracht leed
    • De snelle spits was de gesel van de potige verdedigers. 
     Dick Advocaat is opgestapt als bondscoach van het Nederlands voetbalelftal. Verbitterd door de gesel der kritiek.[5]
Hyponiemen
Typische woordcombinaties
  • [2] gesel van de
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] gesel Gods
    wrede maar succesvolle vijand, opgevat als een straf voor eigen zonden in het verleden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geselen

gesel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
    • Ik gesel. 
  2. gebiedende wijs van geselen
    • Gesel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
    • Gesel je? 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen