gesel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een gesel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sel
enkelvoud meervoud
naamwoord gesel gesels
geselen
verkleinwoord geseltje geseltjes

Zelfstandig naamwoord

gesel m

  1. een werktuig waarmee men ter bestraffing op de rug van iemand slaat
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geselen

gesel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
    Ik gesel.
  2. gebiedende wijs van geselen
    Gesel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
    Gesel je?

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie