gesel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een gesel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘strafwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gesel gesels
geselen
verkleinwoord geseltje geseltjes

Zelfstandig naamwoord

gesel m

  1. een werktuig waarmee men ter bestraffing op de rug van iemand slaat
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geselen

gesel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
    • Ik gesel. 
  2. gebiedende wijs van geselen
    • Gesel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geselen
    • Gesel je? 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen