gewauwel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·wau·wel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gewauwel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gewauwel o [1]

  1. onsamenhangend gepraat, gezwets

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen