gezwel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zwel
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van de stam van zwellen met het voorvoegsel ge-
enkelvoud meervoud
naamwoord gezwel gezwellen
verkleinwoord gezwelletje gezwelletjes

Zelfstandig naamwoord

gezwel o

  1. (medisch) een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
    • Gelukkig is dit gezwel niet kwaadaardig. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.