gespetter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·spet·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gespetter
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gespetter o

  1. het aanhoudend opspatten van water
     Bij speelpark Hof van Eckberge aan de Lintveldseweg in Eibergen staat de tobbedansbaan er daarom nog wat langer, ook maandag maakten er weer veel kinderen gebruik van. Voor nog meer gespetter is er een waterpark met een neveltuin, waterpompen en een waggelboot.[1]
  2. (eufemisme) het aanhoudend zwakjes regenen
     Na een vrij zonnig en zomers warm weekend krijgen we een dip op maandag en dinsdag met lagere temperaturen. De bewolking neemt toe, waardoor minder vocht uit de bodem verdampt. Maandag maakt vooral het noorden kans op wat gespetter. Dinsdag kan op meer plaatsen een klein beetje regen vallen.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Yildiz Huinink “Nog één keer tobbedansen bij Hof van Eckberge in Eibergen” (30-07-2019), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron “Droogte in Nederland houdt voorlopig aan” (7 juli 2018), Het Parool