gesabbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sab·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesabbel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesabbel o

  1. aanhoudend zachtjes ergens aan zuigen
    • Mannekes muziek herinnert vooral aan Ton de Leeuw, maar is in het gesabbel aan mooie, ronde samenklanken beslist sensueler en veel minder kernachtig. [1] 
    • En op de toonbank stonden de bokalen met zuurtjes en kalissehout. Met het dorp van toen zijn ook het kalissehout en het kruideniertje uit Vlaanderen verdwenen. Ach, moeten we melancholisch doen over het gesabbel op een droge tak? Alles verandert en evolueert, met uitzondering van de Nederlanders dan. Ze kopen wel geen zoethout meer voor een cent, maar ze blijven wel drop eten. Ook hun kinderen: drop is nog altijd de meest gegeten snoep in Nederland, en ondanks de concurrentie van de kleurrijke "moderne" snoepjes blijft de vraag naar drop elk jaar stijgen. [2] 
    • Overigens waren mijn ouders geen liefhebbers van mijn gesabbel en mijn gelurk. Ik weet nog goed dat ik op mijn tiende mijn duim een paar keer per dag in een pot marmelade moest dopen. En op mijn twaalfde moest ik voor het slapen gaan de twintig jaar oude keepershandschoenen van mijn vader aantrekken. Maar mijn liefde voor de duim was onwankelbaar. Leek onwankelbaar. [3] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. NRC Ernst Vermeulen 30 mei 2000 Manneke bespeelt ruimte met echo's en romige klanken
  2. De Standaard 7 februari 2004 Eric Bracke Calvinistisch snoepgoed
  3. Het Parool J. Worthy 15 augustus 2016 De mooiste vrouw uit de Nederlandse literatuur duimt
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be