gein

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gein
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘lol’ voor het eerst aangetroffen in 1906 [1]
  • Herkomst: Jiddisj [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gein
verkleinwoord geintje geintjes

Zelfstandig naamwoord

gein m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) plezier, lol
    • Zij hadden een heleboel gein met elkaar. 
    • Ze hadden er hun ‘gein’ in hem te treiteren. [3]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen