gei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gei
enkelvoud meervoud
naamwoord gei geien
verkleinwoord geitje geitjes

Zelfstandig naamwoord

gei v/m

  1. (scheepvaart) een lopend touw waarmee men een zeil bijeenhaalt, inkort of gordt
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
geien

gei

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
    • Ik gei. 
  2. gebiedende wijs van geien
    • Gei! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
    • Gei je? 

Gangbaarheid

11 % van de Nederlanders;
15 % van de Vlamingen.