gehoon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·hoon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gehoon
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gehoon o

  1. aanhoudend afkeurend uitlachen en bespotten
    • Volgens RTV Oost is het voorstel met gehoon ontvangen. Jean Rouwet, Statenlid voor de SP, stelt dat subsidieverstrekking aan een organisatie geen gevolgen mag hebben voor de onafhankelijkheid ervan. [1] 
    • United Continental raakte flink in opspraak door het incident. Op internet barstte een storm van kritiek los. Ook op sociale media in China is woedend gereageerd op de kwestie en werd United Continental als racistisch bestempeld. De eerste reactie van Munoz werd met gehoon ontvangen. Hij verdedigde het optreden van het personeel, waarna hij nog meer kritiek kreeg. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen