gehakkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·hak·kel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gehakkel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gehakkel o [1]

  1. het niet vloeiend spreken
    • Tweede kans, tweede keer gehakkel. Opnieuw verliep de eedaflegging van de Amerikaanse president Barack Obama niet vlekkeloos. Bij het woordje 'States' aarzelde Obama. [2] 
    • De echte Barbie heeft vandaag gereageerd op het filmpje. Letterlijk stelt ze: "Haha geweldig! Oh ja, dat gehakkel dat ik niet uit me woorden ken kome helemaal geweldig zoals Chantal dat doet en Carlo ook top gedaan we legge plat hier hahaha." [3] 
    • Jaaaaa, er gaan weer boeren op zoek naar die ene ware. En wij mogen als kijker op de eerste rang zitten bij het geschutter, gehakkel, gebloos en hopelijk ook die eerste zoen. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 21 januari 2013 En weer hakkelt Obama bij zijn eedaflegging
  3. Tubantia M. den Blanken 10 januari 2017 Chantal Janzen lijkt opeens sprekend op Barbie
  4. Tubantia A. de Jong 31 augustus 2018 Angela de Jong tipt: de tien om te zien
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be