hakkelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hak·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stamelen’ voor het eerst aangetroffen in 1562 [1]
  • frequentatief gevormd uit hakken met het achtervoegsel -el
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hakkelen
hakkelde
gehakkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

hakkelen

  1. in kleine stukjes hakken, ergens kleine stukjes uithakken
    • De gehakkelde aurelia is een vlinder met grof gekartelde vleugels. 
  2. inergatief moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
    • Na die moeilijke vraag hakkelde hij maar een beetje. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen