gefleem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·fleem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gefleem
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gefleem o [1]

  1. huichelachtig iemand vleien
    • Hoe lief ook de intentie, met gefleem als ‘je mozzarellableke billetjes' en ‘je black and decker powertool' loop je dus gevaar de geliefde kwijt te spelen. Bij Verbeke en Victoria moet u er in geen geval mee komen aanzetten, zij gruwen van dergelijke plastische beeldspraak.[2] 
    • Zo begon een machtsstrijd in het culturele veld, waarbij kwantiteit tot een kwaliteit uitgroeide. Enigszins tautologisch moest de publieke erkenning voortaan gaan naar alles wat op een ruim publiek succes mag rekenen. Succes creëert succes. VTM was in aantocht, alsook het gedoe met televotings, het gefleem met Laura Lynn, de subsidies voor Kate Ryan en de schuldigverklaring van prins Laurent per Stemmenkampioen.[3] 
    • Een zelfverklaarde kattentherapeut kwam opdraven om de poes met zoete woordjes naar buiten te lokken, maar de reddingswerkers vroegen haar haar gefleem te staken, omdat de poes er volgens hen juist banger van werd.[4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 11 FEBRUARI 2011 Jelle Van Riet De gevaren van de liefdesbrief
  3. de Standaard 06 FEBRUARI 2007 Marc Reynebeau Cultuur voor dummy's
  4. de Standaard 14/04/2006 door map | Bron: ap New York in de ban van kat Molly