gedupeerd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·du·peerd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gedupeerd gedupeerder gedupeerdst
verbogen gedupeerde gedupeerdere gedupeerdste
partitief gedupeerds gedupeerders -

Bijvoeglijk naamwoord

gedupeerd [1]

  1. benadeeld
    • Asielzoekers die zich in Ter Apel schuldig maken aan winkeldiefstal, moeten de gedupeerde ondernemers voortaan uit eigen zak compenseren. [2] 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: duperen…
verbogen vorm: gedupeerde

gedupeerd

  1. voltooid deelwoord van duperen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen