gedaver

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·da·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedaver
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gedaver o

  1. een aanhoudend zwaar geluid met name door zwaar verkeer
    • Dus trekken Jan Pikkemaat en Johan ten Buuren aan de bel. Zij hebben een brief opgesteld voor de gemeente die wordt gesteund door vrijwel alle bewoners van de Molenstraat. Met hun petitie willen de bewoners hun ongenoegen en bezorgdheid uiten over ‘het lawaai en gedaver’ van het vrachtverkeer.[1] 
    • Tijdens zijn studententijd kon hij aan het gedaver boven de Leidse collegezaal al horen welke toestellen er overvlogen.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen