gedender

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·den·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedender
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gedender o

  1. een aanhoudend lawaai vaak veroorzaakt door iets dat zich met grote snelheid verplaatst
    • Zij weten het als geen ander: de goederentreiner zijn langer, zwaarder, ze moeten sneller rijden en vooral: er komen er nu al veel meer over Oldenzaals spoor dan een paar jaar geleden. 'Elke nacht rond half drie is er een hele lange. Je hoort hem aankomen en pas tien minuten later is het gedender over de rails niet meer te horen. Elke nacht opnieuw.'[1] 
    • Ski-vakantie met het gezin, gezellig. Net een afdaling gedaan, pannenkoeken eten op het terras van de berghut. Wat is dat geluid? Met een hels gedender nadert een lawine. Eerst lijkt het nog plezierig: mensen nemen foto’s van het spektakel. Plots slaat de bewondering om in paniek: de lawine dreigt alles en iedereen op te slokken.[2] 

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia 16-02-12 Grote zorgen over extra goederentreinen
  2. de Standaard 06/08/2015 om 07:42 door Jeroen Struys FILMGELUK. Kiezen is verliezen