gedachteloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dach·te·loos
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gedachteloos gedachtelozer gedachteloost
verbogen gedachteloze gedachtelozere gedachtelooste
partitief gedachteloos gedachtelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

gedachteloos

  1. Aan de lopende band werken is een gedachteloze bezigheid.
    •  
  2. De gedachteloze handelingen van de jongeren hebben veel schade aan de romeinse fontijn toegebracht.
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.