ganglion

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gan·gli·on
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘zenuwknoop, peesknoop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ganglion gangliën
ganglia
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ganglion ; m en o

  1. (medisch) zenuwknoop
  2. (medisch) een holte in of bij een gewrichtskapsel of peesschede die gevuld is met geelachtige glijstof
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
ganglion ganglions
ganglia

Zelfstandig naamwoord

ganglion

  1. (medisch) ganglion.


Estisch

Zelfstandig naamwoord

ganglion

  1. (medisch) ganglion.


Frans

Zelfstandig naamwoord

ganglion

  1. (medisch) ganglion.


Noors

Zelfstandig naamwoord

ganglion

  1. (medisch) ganglion.


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

ganglion

  1. (medisch) ganglion.