galjoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Galjoen [1]
Galjoen [2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gal·joen
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zeilschip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1538 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord galjoen galjoenen
verkleinwoord galjoentje galjoentjes

Zelfstandig naamwoord

galjoen

  1. o (scheepvaart) een historisch zeilschip met een hoge achtersteven
    • De Spanjaarden stuurden galjoenen overzee naar Amerika. 
  2. v/m (vissen) Dichistius capensis op Wikispecies de nationale vis van Zuid-Afrika
    • Galjoenen zijn gewild bij hengelaars op de Zuid-Afrikaanse kust 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord galjoen galjoene

Zelfstandig naamwoord

galjoen

  1. (vissen) galjoen Dichistius capensis op Wikispecies


Engels

enkelvoud meervoud
galjoen galjoens

Zelfstandig naamwoord

galjoen

  1. (vissen) galjoen Dichistius capensis op Wikispecies