fundamenteel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fun·da·men·teel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tot grondslag dienend’ voor het eerst aangetroffen in 1668 [1]
  • afgeleid van fundament met het achtervoegsel -eel [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fundamenteel fundamenteler fundamenteelst
verbogen fundamentele fundamentelere fundamenteelste
partitief fundamenteels fundamentelers -

Bijvoeglijk naamwoord

fundamenteel

  1. aan de basis staande
    • Kinderombudsman Margrite Kalverboer zegt dat als staatssecretaris Mark Harbers de uitzetting van de kinderen Lili en Howick naar Armenië doorzet, hij fundamentele rechten van kinderen schendt [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen