foor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • foor
enkelvoud meervoud
naamwoord foor foren
verkleinwoord foortje foortjes
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

foor v/m

  1. kermis
    • In België heeft men een foor terwijl men in Nederland een kermis heeft 
    • De botsautootjes zijn een vast onderdeel van de foor. 
  2. markt, beurs
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

9 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen