foerier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • foe·rier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bevoorradingsonderofficier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1594 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord foerier foeriers
verkleinwoord foeriertje foeriertjes

Zelfstandig naamwoord

foerier m

  1. (militair) een onderofficier die de taak heeft om de uitrusting, met name de uniformen, te verdelen en de voorraden te bewaren
Vertalingen

Gangbaarheid

48 % van de Nederlanders
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen