smoren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smo·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smoren
smoorde
gesmoord
zwak -d volledig

Werkwoord

smoren

  1. (overgankelijk) iemand of iets het ademen beletten
  2. (overgankelijk) onderdrukken
  3. (overgankelijk), (kookkunst) iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
    We hebben lamsvlees gesmoord met witte wijn en paddenstoelen.
  4. (inergatief), (kookkunst) het door middel van smoren gaar worden van voedingsmiddelen
    Het vlees moet smoren en niet koken.
  5. (techniek) rood aardewerk, door gebrek aan zuurstof in de oven, grijs kleuren
    De gesmoorde dakpannen waren niet meer leverbaar.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen