smoren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • smo·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verstikken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smoren
smoorde
gesmoord
zwak -d volledig

Werkwoord

smoren

  1. overgankelijk iemand of iets het ademen beletten
  2. overgankelijk onderdrukken
  3. overgankelijk, (kookkunst) iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
    • We hebben lamsvlees gesmoord met witte wijn en paddenstoelen. 
  4. inergatief, (kookkunst) het door middel van smoren gaar worden van voedingsmiddelen
    • Het vlees moet smoren en niet koken. 
  5. (techniek) rood aardewerk, door gebrek aan zuurstof in de oven, grijs kleuren
    • De gesmoorde dakpannen waren niet meer leverbaar. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen