fladderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flad·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vlinderen, wapperen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1755 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fladderen
fladderde
gefladderd
zwak -d volledig

Werkwoord

fladderen

  1. inergatief (medisch) flutter, vorm van hartritme, waarbij de boezems of kamers zich zeer snel ritmisch samentrekken
  2. inergatief onhandig heen en weer vliegen met veel vleugelgeklap
  3. ergatief onhandig met veel vleugelgeklap zich ergens heen begeven
    • De jonge vogel was naar het water gefladderd en er bijna ingevallen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen