fiasco

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·as·co
enkelvoud meervoud
naamwoord fiasco fiasco's
verkleinwoord fiascootje fiascootjes

Zelfstandig naamwoord

fiasco o

  1. grote mislukking
    • Zijn plannen waren onhaalbaar en liepen op een fiasco uit. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie