fiasco

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·as·co
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans of Frans, in de betekenis van ‘mislukking’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • van het Italiaanse 'fiasco' (fles) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord fiasco fiasco's
verkleinwoord fiascootje fiascootjes

Zelfstandig naamwoord

fiasco o

  1. grote mislukking
    • Zijn plannen waren onhaalbaar en liepen op een fiasco uit. 
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Fiasco lijden ( of maken)
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen