feestrede

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

feestrede gehouden door Anton van Duinkerken
Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·re·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord feestrede feestredes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

feestrede v/m [1]

  1. een toespraak ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis
    • "Reformationsjubiläum 2017" is vooral een kijk- en luisterboek geworden. De vele foto’s –en een dvd van ruim een uur– laten weer eens zien hoe groots de Duitsers de herdenking van vijfhonderd jaar Reformatie hebben opgepakt. Daar is bondskanselier Angela Merkel, die op 31 oktober een feestrede in het stadhuis van Wittenberg hield. De herdenkingsbijeenkomst in de Slotkerk, vol kerkleiders en hoogwaardigheidsbekleders. [2] 
    • Feestrede voor de mijnwerkers hier, praatje voor de plattelandsvrouwen daar. In plaats van: weg met al die onzin, ik ga een meesterwerk schrijven. [3] 
    • De bijeenkomst, 400 Jaar ’t Kan Verkeeren!, maakt deel uit van een groot aantal activiteiten in het kader van de sterfdag van Bredero. Acteurs en andere liefhebbers spelen en duiden scènes uit zijn bekendste toneelstukken De Spaanse Brabander en De Klucht van de Koe. "Ook in zijn tijd moest Nederland positie kiezen tegenover immigranten en kende de maatschappij winnaars en verliezers", stelt de organisatie Bredero 2018. "Wat zijn werk voor vandaag betekent horen we in gesproken columns, een feestrede en een gesprek over de Nederlandse toneeltraditie." [4] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen