feestnummer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·num·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord feestnummer feestnummers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

feestnummer o [1]

  1. iemand die graag feest
    • De jongen was een echt feestnummer, maar op school haalde hij wel goede cijfers.  
  2. een aan een feest gewijd nummer van een tijdschrift
    • Er was een feestnummer van de krant ter gelegenheid van het 100 jarig bestaan van de krant. 
    • “Wij wilden de rollen voor één keer omdraaien,” zeggen hoofdredacteur Mariëtte Haveman en eindredacteur Annemiek Overbeek. “Het huiskameridee zit heel dicht bij het ideaal van het toenmalige Openbaar Kunstbezit. Maar in plaats van dat kunst in de huiskamer wordt gebracht door middel van reprodukties en teksten, staat in dit feestnummer de huiskamer zelf te kijk.” [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Lucette ter Borg 1 december 1992
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be