faveur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·veur
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord faveur faveurs
verkleinwoord faveurtje faveurtjes

Zelfstandig naamwoord

faveur v/m [2]

  1. nut, voordeel, gunst
Uitdrukkingen en gezegden
  • ten faveure van
ten voordeel van / ten gunste van / ten nutte van
- Wat te denken van spits Luuk de Jong, dragende kracht bij de laatste twee landstitels? Hij speelde niet tegen Ajax, gepasseerd ten faveure van Locadia, die na zijn blessure in een bloedvorm teruggekeerd is. De grootverdiener en aanvoerder heeft een beroerd seizoen van gekmakende doelpuntendroogte achter zich. [3]
  • in faveure van
ten behoeve van

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen