Naar inhoud springen

farm

Uit WikiWoordenboek
  • farm
  • Ongewijzigd overgenomen uit het Engels, in het Nederlands bekend sinds 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord farm farms
verkleinwoord - -

defarmm

  1. (landbouw) grootschalig particulier landbouwbedrijf, meestal gebruikt voor boerderijen in het buitenland of boerderijen met ongewone producten.
    • De chef is zelfs uitgebroede struisvogeleieren bij de farm gaan halen om z’n eitjes in te serveren (hoe sympathiek is dat?). [2]
    • Help! Ik zit op een farm in de buurt van Mitchell en word slecht behandeld. Is er toevallig iemand in de buurt die wat voor me kan betekenen? [3]
61 %van de Nederlanders;
46 %van de Vlamingen.[4]
  • Afkomstig van het Oudfranse ferme.
enkelvoud meervoud
farm farms

farm

  1. (landbouw) boerderij
vervoeging
onbepaalde wijs to  farm 
he/she/it  farms 
verleden tijd  farmed 
voltooid
deelwoord
 farmed 
onvoltooid
deelwoord
 farming 
gebiedende wijs  farm 

farm

  1. onovergankelijk, (landbouw) het beroep van  boer zn  uitoefenen
  2. overgankelijk, (landbouw) (v. landbouwgrond) bewerken, cultiveren