factotum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fac·to·tum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord factotum factotums
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

factotum m

  1. iemand die vele kleine karweitjes kan opknappen
    • Vóór Startpagina huppelde hij als ware factotum van het een naar het andere. Hij was leverancier van reinigingsmiddelen, dienstplichtig bewaker bij de luchtmacht en freelance journalist bij regionale kranten. Hij runde een groothandel in Nederlandse diepvriesproducten aan de Costa del Sol.[2] 
    • En ineens zomert het in de Algarve. Ik merk dat aan de mierencolonnes in de gaarde en aan het nerveuze gedrag van Laudalino, de factotum van mijn dorp. Tijdens carnaval loopt het manusje-van-alles in een fluorescerend hesje voor de stoet uit, druk fluitend en woest met zijn armen zwaaiend. Niemand let echter op de regelaar want het dorp is dan verkeersvrij.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders
48 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. NRC Peter Zantingh 10 november 2016
  3. Volkskrant Arthur van Amerongen 13 juni 2016,