essen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Essen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • es·sen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen essen

Bijvoeglijk naamwoord

essen

  1. gemaakt van het hout van de es
    • Hij bezat een essen boog. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

essen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord es

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Duits

Uitspraak
  • IPA: /ˈɛsn̩/
Woordafbreking
  • es·sen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
essen
/ˈɛsn̩/

/aːs/
gegessen
/gəˈgɛsn̩/
volledig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudhoogduitse ezzan

Werkwoord

essen

  1. eten