esculaap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • es·cu·laap
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘embleem van geneeskundigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1615 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord esculaap esculapen
verkleinwoord esculaapje esculaapjes

Zelfstandig naamwoord

esculaap m

  1. het embleem van de geneeskundigen, een staf met een daaromheen kronkelende slang
    • Op zijn visitekaartje is een esculaap geprint. 
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen