enkelvoudig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·kel·vou·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen enkelvoudig
verbogen enkelvoudige

Bijvoeglijk naamwoord

enkelvoudig

  1. Slechts uit één mens, dier of ding bestaand.
    Bij een enkelvoudige breuk is er maar één breukvlak