ebstroom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eb·stroom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ebstroom ebstromen
verkleinwoord ebstroompje ebstroompjes

Zelfstandig naamwoord

ebstroom m [1]

  1. (waterstaat) de waterstroom die van de kust afgaat als het laagwater wordt en 3-4 uur na hoogwater maximaal is
    • Volgens een woordvoerder van de KNRM dreef het vlot in de aanvaarroute voor de Amsterdamse haven, waar grote schepen passeren. De kans dat het vlot zou worden overvaren was aanzienlijk. De man op het vlot wilde de ebstroom benutten om op volle zee te geraken. Het vlot had geen aandrijving en was dus geheel afhankelijk van de stroming en de wind. [2] 
    • De Elbe staat bekend om haar sterke stromingen, snel wisselende en soms extreme waterstanden, gevaarlijke ondieptes en in de monding zwaar tij. In het buiten-Elbe gebied heerst ook een zwaar tij. Deze omgeving is daarom berucht om de hoge steile golven die ontstaan in de zogenaamde stroom tegen wind situatie. Bij overheersende noordwestenwinden komt deze situatie bij ebstroom tweemaal zes uur per dag voor. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen