dorpshuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dorps·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dorpshuis dorpshuizen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dorpshuis o [1]

  1. huis in een dorp
  2. ontmoetingscentrum in een dorp

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen