doorzag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • door·zag

Werkwoord

vervoeging van
doorzien

doorzág

  1. enkelvoud verleden tijd van doorzien
    • Ik doorzág. 
    • Jij doorzág. 
    • Hij, zij, het doorzág. 

Werkwoord

vervoeging van
doorzien

dóórzag

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van doorzien
    • ... dat ik doorzag. 
    • ... dat jij doorzag. 
    • ... dat hij, zij, het doorzag.