doods

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doods
Woordherkomst en -opbouw
  • [A]  dood zn  met de uitgang -s
  • [B] afgeleid van  dood bn  met het achtervoegsel -s [1] [2]
  • [C] afgeleid van  dood bn  met de uitgang -s

Zelfstandig naamwoord

[A] doods

  1. genitief mannelijk  van dood
    • "Van de koele meren des doods" is een roman van Frederik van Eeden die later verfilmd is. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • des doods zijn voor
    heel bang zijn voor
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen doods doodser doodst
verbogen doodse doodsere doodste
partitief doods doodsers -

Bijvoeglijk naamwoord

[B] doods

  1. alsof alles dood is
    • Ondanks alles hield het plein een doodse uitstraling. 
     De kus die Dorien op haar wang gaf was er een zonder warmte. Haar lippen voelden koud aan. Doods.[3]
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

[C] doods

  1. partitief van de stellende trap van dood

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen