dodo

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·do
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘uitgestorven vogelsoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1853 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dodo dodo's
verkleinwoord dodootje dodootjes

Zelfstandig naamwoord

dodo m

  1. (vogels) Raphus cucullatus op Wikispecies een uitgestorven loopvogel van Mauritius
    • De dodo werd ook wel walgvogel or dront genoemd. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Een dappere dodo.
Een held zonder vrees, genoemd naar de hoofdpersoon in de eerste kinderserie van de KRO in de jaren 1950.

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

dodo m

  1. (spreektaal) slaap(je)
    «Bébé doit faire dodo
    Baby moet slaapje doen. [1]
  2. (spreektaal) kinderbedje
    «Au dodo
    Hup, naar bedje toe! [1]

Verwijzingen


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·do

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
dodo dodi

dodo m

  1. (vogels) dodo