digitalis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·gi·ta·lis
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘vingerhoedskruid’ voor het eerst aangetroffen in 1663 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord digitalis digitalissen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

digitalis v / m [3]

  1. (farmacologie) geneesmiddel voor hartziekten, bereid uit vingerhoedskruid

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders
63 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen