diagnosticeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·ag·nos·ti·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
diagnosticeren
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
diagnosticeerde
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrdə/
gediagnosticeerd
/ɣə'dɪɑɣnɔstɪ'seːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

diagnosticeren

  1. overgankelijk een diagnose stellen, de oorzaak van een probleem achterhalen
    • Deze ziekte is verkeerd gediagnosticeerd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be