desillusioneren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • des·il·lu·si·o·ne·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

desillusioneren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
desillusioneren
desillusioneerde
gedesillusioneerd
zwak -d volledig
  1. laten kwijtraken van (al te hoog gespannen) verwachtingen, doen verliezen van hoop
    • De EU kan zich volgens de EBRD niet permitteren de toetreding van de verst gevorderde economieën te lang na 2004 uit te stellen. Dat kost geloofwaardigheid en zou Oost-Europa desillusioneren. Ook moet de EU actief betrokken blijven bij de hervorming van het GOS. "We moeten niet het IJzeren Gordijn vervangen door een gordijn van Brusselse kant", aldus Buiter.[2] 
Synoniemen
Vertalingen


Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Hans Steketee 15 november 2000