dennentak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • den·nen·tak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dennentak dennentakken
verkleinwoord dennentakje dennentakjes

Zelfstandig naamwoord

dennentak m [1]

  1. tak van een dennenboom die vaak gebruikt wordt als kerstversiering
    • Met een concert van het Orkest van het Oosten én twee (jubilerende) Almelose mannenkoren was dit jaar het Theaterhotel de aangewezen plek. De huiskamer van Almelo, zoals een ingezetene liefkozend opmerkte. Waar de bijbehorende allure nu ook nog werd versterkt door overdadige kerstversiering. Bij Van der Valk kijken ze niet op een dennentak. [2] 
    • Kaartjes: Ligt er een stapel kerstpost op de deurmat? Hang de mooiste kaartjes met een lintje aan de dennentakken. Als de buit nog wat karig is, kunt u ook bewaarde kaarten van vorig jaar ophangen. [3] 
    • Pompoenen en wortels op een bedje van hooi. Konijnenbout. Met dennentakken doorregen paprikaringen. Fraaie tableaus met een gevarieerd assortiment kerstfruit. En als toetje: een groentetrio van rettich, wortel en paprika. Zie hier het menu van het kerstdiner dat dieren in Safaripark Beekse Bergen krijgen voorgeschoteld. [4] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen