Naar inhoud springen

delgen

Uit WikiWoordenboek
  • del·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
delgen
delgde
gedelgd
zwak -d volledig

delgen

  1. (economie) een schuld uitwissen, tenietdoen, amortiseren
62 %van de Nederlanders;
74 %van de Vlamingen.[3]