deinen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dei·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deinen
deinde
gedeind
zwak -d volledig
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
deining

Werkwoord

deinen

  1. inergatief golven, rustig op en neer gaan.
    • De golven waren met het lenteweer aan het deinen. 
    • Het schip deinde rustig op de golven heen en weer. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.