deinen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dei·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deinen
deinde
gedeind
zwak -d volledig
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
deining

Werkwoord

deinen

  1. (inergatief) golven, rustig op en neer gaan.
    De golven waren met het lenteweer aan het deinen.
    Het schip deinde rustig op de golven heen en weer.
Verwante begrippen