degout

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·gout
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord degout
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

degout m [2]

  1. iets verschrikkelijks dat veel walging opwekt
    • De titel van deze blog is gerecycleerd: ik schreef hem ooit boven een artikel over burgerbewegingen in Brussel (een moeilijk huwelijk). Ondanks de grote verontwaardiging en dégout over de graaicultuur bij daklozenorganisatie Samusocial, was er destijds al geen enorme opkomst om publiekelijk te protesteren tegen de excessen. Ook nu de verkiezingen voor de deur staan, is de interesse in politiek matig tot verwaarloosbaar klein. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen