Naar inhoud springen

afkeer

Uit WikiWoordenboek
  • af·keer
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘weerzin’ voor het eerst aangetroffen in 1611 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord afkeer -
verkleinwoord - -

deafkeerm

  1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren omdat je het vervelend of verkeerd vindt
    • Sommige mensen hebben een afkeer van het drinken van alcohol. 
    • Hij keek met afkeer naar de vechtende mannen. 
     Maar in '84 was het adres aan de Looiersgracht nog een toevluchtsoord voor Hannah, en als het haar uitkwam maakte ze dankbaar gebruik van de uitnodiging, haar via haar befaamde pleegvader gegund, al was het om in de prachtige woning rond te hangen en de bijzondere verzamelingen van Van Lohuijzen met onverhulde jaloezie te bewonderen, terwijl ze voor zichzelf een dergelijk leven fantaseerde, al zat diep verborgen in dat gretig verlangen, in feite in de kern ervan, een afkeer die haar schrik aanjoeg.[3]
     Volgens het onderzoek ondervinden tussen de 600.000 en 800.000 Nederlanders ernstige hinder van verkeerslawaai. Ze zijn boos en hebben gevoelens van afkeer, onbehagen en onvoldaanheid. Nog eens 300.000 mensen hebben slaapproblemen door verkeerslawaai.[4]
vervoeging van
afkeren

afkeer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afkeren
    • ... dat ik afkeer. 
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]