afkeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·keer
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘weerzin’ voor het eerst aangetroffen in 1611 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord afkeer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afkeer m

  1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren omdat je het vervelend of verkeerd vindt
    • Sommige mensen hebben een afkeer van het drinken van alcohol. 
    • Hij keek met afkeer naar de vechtende mannen. 
     Volgens het onderzoek ondervinden tussen de 600.000 en 800.000 Nederlanders ernstige hinder van verkeerslawaai. Ze zijn boos en hebben gevoelens van afkeer, onbehagen en onvoldaanheid. Nog eens 300.000 mensen hebben slaapproblemen door verkeerslawaai.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afkeren

afkeer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afkeren
    • ... dat ik afkeer. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen