afgrijzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·grij·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord afgrijzen (verg. griezelen) [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord afgrijzen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afgrijzen o

  1. een gevoel van ontzetting en afkeer
    • Ik keek met afgrijzen naar het gebeurde ongeval. 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl