afgrijzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·grij·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘afschuw’ voor het eerst aangetroffen in 1440 [1]
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord afgrijzen (verg. griezelen) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord afgrijzen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afgrijzen o

  1. een gevoel van ontzetting en afkeer
    • Ik keek met afgrijzen naar het gebeurde ongeval. 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen