afgrijzen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·grij·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde werkwoord afgrijzen (verg. griezelen)
enkelvoud meervoud
naamwoord afgrijzen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afgrijzen o

  1. een gevoel van ontzetting en afkeer
    Ik keek met afgrijzen naar het gebeurde ongeval.
Vertalingen