daluur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dal·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord daluur daluren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

daluur o

  1. de tijd dat het rustig is op de weg en in het openbaar vervoer
    • Geniepig, slinks, gluiperig: de krachttermen zijn niet van de lucht in reactie op het aanpassen van het “reisprincipe” van de NS. De Volkskrant berichtte vanochtend over de maatregel, waardoor reizigers met een kortingskaart plotseling meer geld kwijt kunnen zijn. Voorheen konden reizigers die in de spitsuren vertrokken tijdens hun reis op een tussenstation uitchecken, om opnieuw in te checken tijdens de daluren. Maar sinds 1 september heeft de NS de regels veranderd. De korting wordt voor de tweede reis alleen nog berekend als tussen het in- en uitchecken minimaal 35 minuten wachttijd zit. En dus betaal je voor de hele reis opeens het volle pond.[1] 
  2. de tijd dat er weinig mensen naar de televisie kijken of naar de radio luisteren
    • Ging Sanoma de oorlog winnen met haar crossmedia-avonturen? Daarover waren - en zijn - de meningen binnen het bedrijf verdeeld. De genoemde projecten vormen tot op heden een fractie van de omzet van Sanoma, zegt een bron die anoniem wil blijven. En de bijbehorende tv-programma’s worden in de daluren uitgezonden. „Het is bijna niks.”[2]  
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Clara van de Wiel 10 oktober 2016
  2. NRC Reinier Kist 15 april 2017